KERSTBESTAND 1914

In 1914 was Kerstmis belangrijker dan de militaire waanzin.

De Eerste Wereldoorlog begon in augustus 1914. Algemeen werd verwacht dat het een korte oorlog zou worden. ‘Weer thuis als de bladeren vallen’, was de veelgehoorde slagzin. Maar na een eerste snelle opmars van het Duitse leger was de strijd tegen de winter vastgelopen in een loopgravenoorlog.
Ook de oproep naar Wereldvrede uitgesproken door Paus Benedictus XV (1914-1922) op 1 november 1914 in zijn encycliek ‘Ad Beatissimi Apostolorum’ ging verloren in het oorlogsgeweld.

Aan de Hoge brug op de grens tussen Kaaskerke en Diksmuide lagen Belgische en Duitse soldaten langs weerszijden van de IJzer. Op 23 december 1914 schreef de Duitse majoor Anderson vanuit dit gebied aan zijn vrouw: Wij liggen al een paar dagen onder zware beschieting. Alle vensters zijn stuk en het is verschrikkelijk koud. Wij slapen al acht dagen in de kelder. Wat is de oorlog toch verschrikkelijk. Morgen is het Heilige Avond, wij zijn stil en weemoedig.’

VREDE VOOR HEEL EVEN

Toen werd het Kerstdag, de eerste van de Grote Oorlog. De Duitse soldaten begonnen met het zingen van ‘Stille nacht, heilige nacht’ en het roepen van ‘Vrolijk Kerstfeest’. Toen men aan weerszijden van de licht dichtgevroren IJzer merkte dat het menens was, werden geschenken naar elkaar toegeschoven. Diksmuide werd een kleine oase van rust en vrede temidden van loopgraven, modderpoelen en ondergelopen bomkraters. Doodgewone, oorlogsmoeë soldaten hadden eventjes het juk van de oorlog van zich afgegooid.

Die avond kwam de vijfde compagnie van het eerste regiment karabiniers de grenadiers aan de Hoge Brug aflossen. Bij het naderen kregen zij van de eerste grenadiers die zij ontmoetten de meest onwaarschijnlijke verhalen te horen: ‘ … aan de Hoge Brug wordt niet meer geschoten … we hoorden in de loop van de dag kerstliederen zingen …’ . Vol spanning wachtten de karabiniers in de koude vriesnacht in de loopgraven bij de Hoge Brug de volgende dag af.

De ochtend van tweede kerstdag was al een hele tijd gevorderd en er was nog geen schot gelost toen Duitse soldaten naar de overkant riepen: "Kameraden gar nicht schiessen!"
Voorzichtig staken ze eerst een paar handen en dan hun hoofd boven de borstwering.  Weldra zat iedereen bovenop de loopgraven gezellig te roken en mekaar lachend te bekijken. Enkelen waagden zich op de in de IJzer vooruitstekende aanzet van de IJzerbrug die bij de vernieling niet in de lucht gevlogen was. Hier was de afstand tussen de vijandelijke stellingen nog amper 10 meter.

MONSTRANS TEKEN VAN VREDE

Omstreeks 14u30 verscheen de protestantse Beierse majoor William Anderson op deze brug. Hij was vergezeld van een ordonnans die een monstrans droeg. Hij vroeg naar een Belgische officier omdat hij deze monstrans als teken van vrede aan de Belgische soldaten wilde overhandigen. Kapitein-commandant Guillaume Le Maire en aalmoezenier Sabin Vandermeiren kwamen ter plaatse. Een koord werd behoedzaam over de IJzer geschoven. Daaraan werd een linnen zak bevestigd waar de monstrans instak en die werd voorzichtig naar de Belgische kant overgetrokken en aan de aalmoezenier overhandigd. De Belgische soldaten waren diep onder de indruk van dit gebaar. Ze groetten de Duitsers eerbiedig en bedankten hen voor dit signaal. Daarna trokken ze zich terug in hun linies. Kort daarna gingen de gevechten weer van start.

Was dit kerstbestand in Diksmuide iets uniek? Neen, ook aan het Duits-Franse front en het Duits–Britse front werd er verbroederd. Een van de bekendste verhalen is hier een voetbalwedstrijd die werd gespeeld tussen de beide partijen. Maar ook in de Belgische sector beperkte de verbroedering zich niet tot één plaats. Opmerkelijk is het verhaal van de Belgische grenadier Petrus De Man. Ook zijn verhaal situeert zich in 1914 in de omgeving van Diksmuide. Duitse en Belgische soldaten zingen er met Kerstmis samen kerstliedjes , waarna ze voorzichtig uit de loopgraven komen en met elkaar verbroederen. Eén Belgische soldaat trok zelfs met een vlot naar de overkant van de IJzer. Hij sprak er met de Duitsers en kwam terug met wat tabak en drank. Voor Petrus De Man was deze dag nog steeds de mooiste dag van zijn leven, maar van een met goud bezette monstrans herinnerde hij zich niets…

We mogen niet uit het oog verliezen dat de communicatie in die eerste linies heel beperkt was. Soldaten die zich 1 kilometer verder bevonden, verkeerden toen in een heel andere wereld. Deze verbroederingen bleven dan ook beperkt tot plaatselijke onderonsjes.
De legerbevelhebbers vreesden dat dit soort verbroederingen een einde zouden maken aan de vechtlust van hun ondergeschikten. Dergelijke verbroederingsacties werden daarom van hogerhand officieel streng verboden. Hun vrees bleek ongegrond; de daarop volgende veldslagen zouden in totaal miljoenen levens eisen.

Toen kunstschilder Samuel de Vriendt in 1930 van Diksmuide de opdracht kreeg om een oorlogsschilderij te ontwerpen, herinnerde hij zich deze gebeurtenis in 1914 levendig. Hij schilderde een Duitse soldaat met pinhelm en een Belgische piot met een sjaal over zijn hoofd met tussen hen het kindje Jezus. De Belg houdt de monstrans in zijn armen. Hoewel Samuel de Vriendt het overhandigen van de monstrans niet persoonlijk heeft meegemaakt, vernam hij aan het front dat er die dag en nacht, in de sector Diksmuide waar het altijd zo rumoerig was, iets bijzonders had plaatsgevonden. Het schilderij beeldt weliswaar de werkelijkheid niet uit, maar de geest is juist. Het is een kersttafereel, een vredesschilderij geworden.

HERKOMST MONSTRANS?

Bij nader onderzoek van de monstrans bemerkte aalmoezenier Vandermeiren volgend opschrift dat meteen de herkomst ervan verduidelijkte:

Mater Paulina in nosocomio Dixmudensi 11 sororibus Sti Vicenti Deftinge emit anno MCMX
(Moeder Paulina in het klooster van Diksmuide met 11 zusters van de H. Vincentius uit Deftinge kocht deze monstrans in 1910.)

Sinds 1847 namen de zusters van Deftinge de zorg op zich van het St.-Jansgasthuis in Diksmuide. Geleid door de stevige hand van overste Pauline bleven de zusters in
1914 zo lang mogelijk en in helse omstandigheden hun zorgen verstrekken in het hospitaal dat toen als Rode Kruispost dienst deed. Half oktober tijdens de Slag aan de IJzer moesten de zusters noodgedwongen de vlucht nemen naar Izenberge , later naar Cayeux sur Mer. Ze lieten hun kostbaarheden achter, waaronder de monstrans. Die lag in een kolenhok verborgen en werd daar door de Duitsers ontdekt.

Tijdens een rustperiode met zijn regiment in Alveringem ontmoette aalmoezenier Vandermeiren E.H.Joseph Van Ryckeghem, voor de oorlog onderpastoor in Diksmuide, en dus goed bekend met de zusters. Hij zou het op zich nemen de monstrans aan hen terug te bezorgen. Na de oorlog keerden de zusters naar Diksmuide terug, maar in 1963 verlieten ze voorgoed Diksmuide. De monstrans verhuisde met hen mee naar het moederklooster in Deftinge.

IJZERTOREN

Ook aan Duitse zijde werd de herinnering aan dit kerstverhaal gekoesterd. Majoor Anderson sneuvelde in 1916 in Frankrijk. Maar in een brief aan zijn vrouw beschreef hij zijn kerstervaring van 1914 en bevestigde hij het verhaal van de monstrans. Lange tijd bleef de kennis van dit verhaal beperkt tot de familie Anderson. Maar toen de weduwe  deze brief toonde aan pater Werenfried van Straaten werd het een publiek verhaal. Meteen was er nu ook een tweede bewijs dat het verhaal echt had plaatsgevonden.

60 jaar na de feiten werd dit vredesgebaar uiteindelijk uitgebreid herdacht. Kapitein Hubertus Anderson werd naar Diksmuide uitgenodigd om de symbolische daad van zijn vader te herhalen. Op 4 oktober 1974 mocht hij de monstrans aan de Belgische WO I -veteraan René Pil overhandigen. Ook in 1989 werd dit verbroederingsgebaar nog eens herdacht, maar Hubertus Anderson, intussen 91 jaar oud, verzaakte aan de reis.

Sinds 1998 kun je de monstrans bewonderen in het museum in de IJzertoren. Zij ziet er nog net zo uit als 100 jaar geleden. Alleen het kruisje bovenaan is vernieuwd. Het oorspronkelijke werd wellicht vernield of ging verloren. Het was monseigneur Eugeen Laridon, afkomstig van Diksmuide, die de zusters van Sint-Vincentius ervan overtuigde om de monstrans permanent te tonen aan de mensen. Geen betere plek hiervoor dan de IJzertoren, gebouwd op een boogscheut van de plaats waar de monstrans ooit werd overhandigd en met op zijn flanken de ‘Nooit meer oorlog’ boodschap geschreven.

Nog dit: Nooit meer oorlog! Zeg dat maar tegen de familie van soldaat Lodewijk Delputte. Hij sneuvelde op Kerstmis 1914 en ligt begraven op 2500 meter van de IJzertoren, geraakt door een shrapnel die nooit had afgeschoten mogen worden …

Bronnen:
Gaston Durnez, een bloem in het geweer. 1965. uitgeverij Heideland
Het kerstverhaal van Petrus De Man in Het Wekelijks Nieuws van 24-12-1971
De wonderbare Kerst van 1914 in Wij van 19-12-1985
Het kerstverhaal van de monstrans. Herman Demoen
Onuitgegeven speech van Herman Demoen op 27/05/1998 bij de overhandiging van de monstrans in de IJzertoren.