De IJZER, ONZE LAATSTE HOOP

Tenir Dixmude, Nach Calais, The battle of the Yser

100 jaar geleden vond rond Diksmuide de IJzerslag plaats. De gevechten rond Diksmuide in oktober 1914 zorgden voor een ommekeer tijdens WOI.  Deze veldslag betekende het einde van de bewegingsoorlog en het begin van een vier jaar durende loopgravenoorlog. In de tentoonstelling ‘De IJzer onze laatste hoop’ brengen wij in het Museum aan de IJzer de historische tegenstanders nog eens bij elkaar. We tonen de aanloop naar de IJzerslag, de omstandigheden waarin de slag plaatsvond en de gevolgen voor de rest van de oorlog.

De tentoonstelling loopt 4 jaar: van 10 oktober 2014 tot 11 november 2018.

Historische context

In de ochtend van 4 augustus 1914 trekken Duitse troepen België binnen. De neutraliteit van het land wordt geschonden. De Duitse troepen willen via België Frankrijk aanvallen.
Het Schlieffen–Von Moltke plan voorziet een snelle afhandeling van de oorlog aan de westelijke grenzen van Duitsland. In zes weken tijd wil men in Parijs staan. Daarna willen de Duitsers de oostelijke grenzen met Rusland met troepen bevolken. Zware tegenstand van de Belgen rond de versterkte stad Luik zorgt voor het eerste oponthoud. Toch slagen de Duitse troepen er in om op 16 augustus 1914 de stad in te nemen. De opmars richting Frankrijk kan, weliswaar met vertraging, worden verdergezet. Voor het Belgische leger was dit het begin van de terugtocht, eerst op de as Brussel-Leuven en vanaf 20 augustus op de havenstad Antwerpen. Aanvankelijk hebben de Duitsers, bij hun doortocht door België, Antwerpen met rust gelaten. Later zien ze in dat de inname van de stad heel wat voordelen biedt. Wanneer de bombardementen op de eerste forten beginnen, in de nacht van 27 op 28 september, beseft Koning Albert dat Antwerpen houden een probleem wordt. Hij kiest er voor de stad te ontvluchten naar het gebied achter de IJzer. Vanaf 29 augustus worden ’s nachts volledige konvooien over de Schelde gesmokkeld, onder de neus van de vijandelijke troepen, die zich van geen kwaad bewust zijn. Op 7 oktober verlaat de koning Antwerpen en twee dagen later, op 9 oktober, valt de stad in Duitse handen. ’Slechts’ 5000 soldaten worden krijgsgevangen genomen. De rest kan vluchten. Zij trekken zich terug, via geforceerde en ongeordende voetmarsen, achter de IJzer.
Gelijktijdig met de slag bij Antwerpen begint ‘de wedloop naar de zee’. De bedoeling van de Duitsers is een groot aantal havens aan de Noordzee in bezit krijgen om op die manier de aanvoer van Britse troepen en materieel sterk te bemoeilijken.

De aftocht van het Belgische leger wordt gedekt door de Brigade van marine fuseliers, geleid door contre-amiral Ronarc’h. Zij slagen erin om de Duitse troepen een tweetal dagen in Melle tegen te houden en vervoegen dan het Belgische leger achter de IJzer. Na deze veldslag worden de goed getrainde Duitse soldaten afgelost door pas opgeleide jonge rekruten.

Op 18 oktober begint de IJzerslag. De Duitse troepen haasten zich naar de IJzer. Ze nemen één voor één de dorpen rond Diksmuide in. De stad zelf blijft voorlopig in Belgische en Franse handen.
In de nacht van 20 op 21 oktober slagen de Duitse troepen er in om de IJzer over te steken bij Ter Vaete (Stuivekeskerke). De situatie is kritiek en de reserves worden aangesproken. Ondanks de hulp van Franse eenheden, blijven de Duitse troepen de IJzer oversteken. De rivier kan niet langer als verdedigingslijn gehouden worden.
Op 25 oktober 1914 wordt beslist om de sluizen bij Nieuwpoort te openen. De Belgen en Fransen die zich hebben verschanst achter de spoorwegberm Diksmuide–Nieuwpoort willen zo het gebied tussen de IJzer en de spoorwegberm onder water zetten.
De volgende dagen doen de nietsvermoedende Duitsers nog verwoede pogingen om door de linies te breken, maar beetje bij beetje komen hun posities onder water te staan. Met een ultieme krachtinspanning worden op 31 oktober alle reserves in de strijd geworpen. Maar de strijd, in het intussen goed ondergelopen gebied, verloopt rampzalig. De Duitse troepen vluchten in grote wanorde. Alleen het stuk ten westen van de IJzer, van Ter Vaete tot aan kilometerpaal 16, blijft in Duitse handen. Het ontlokt de Franse generaal Foch de legendarische woorden : “c‘est un talus d’un mètre vingt qui a sauvé la France …".

Intussen blijft Diksmuide onder de dagelijkse bombardementen standhouden. Belgische soldaten vechten er zij aan zij met Franse marine fuseliers en Senegalese schutters. De stad zou pas ingenomen worden op 10 november 1914.

De strijdende partijen dachten de oorlog snel op te lossen in Vlaanderen. Het tegendeel bleek echter waar. Voor de Duitse troepen eindigde de wedren naar de zee in de modderbrij van de IJzervallei. De laatste kans op een grote doorbraak verdween hiermee. Voor de geallieerde troepen bleek deze veldslag het begin van een vier jaar durende loopgravenoorlog met vele slachtoffers als gevolg.